DGA pensioen afwikkeling tot 1 april 2017

RAW1RLRTM7Directeur-grootaandeelhouders krijgen tot 1 april 2017 de tijd om de opbouw van het pensioen in eigen beheer  stop te zetten, de pensioenbrief of overeenkomst waarin de pensioenaanspraken met de bv zijn vastgelegd aan te passen, een eventueel extern in een polis opgebouwd pensioen terug te halen naar pensioen in eigen beheer dan wel een extern opgebouwd pensioen afzonderlijk voort te zetten.

Let op de ingangsdatum van de wetgeving wijzigt niet maar wel de verplichte administratieve zaken rondom de aanpassing van de regeling. De andere artikelen rondom de afschaffing van het DGA Pensioen in Eigen beheer kunt u terug vinden in deze artikelen.

Bij lees-meer vindt u de uitgebreide vraag-antwoord informatie waar deze beslissing in terug te vinden is.

https://www.doorneweerd.nl/wp-content/uploads/2017/01/Pensioenverzekering-DGA.mp3
(Tips en informatie rondom de pensioenverzekering voor de DGA. 13 minuten.)

Pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

Datum 10 november 2016
Betreft Schriftelijke antwoorden

Mevrouw De Vries vraagt of de tijd tot 1 januari 2017 voldoende is om fatsoenlijk
advies in te winnen en de benodigde stappen te kunnen zetten. Naar aanleiding
van de signalen uit het veld en uit de Tweede Kamer ben ik voornemens de
directeur-grootaandeelhouder (dga) op dit punt tegemoet te komen. Met het oog
daarop ontvangt u tegelijkertijd met deze brief een nota van wijziging waarin
wordt voorzien in de mogelijkheid voor de dga om gedurende een extra periode
van drie maanden, te beginnen op 1 januari 2017, de laatste stappen te zetten die
nodig zijn om de verdere opbouw van het pensioen in eigen beheer (PEB) stop te
zetten, de pensioenbrief waarin de pensioenaanspraken met de bv zijn vastgelegd
aan te passen, een eventueel extern opgebouwd PEB terug te halen naar het
intern opgebouwde PEB dan wel een extern opgebouwd pensioen afzonderlijk
voort te zetten. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de toelichting op de
nota van wijziging. Een nadere uitwerking zal plaatsvinden bij beleidsbesluit dat zo
spoedig mogelijk zal worden bekendgemaakt. Ik hoop hiermee tegemoet te komen
aan de breedgedragen wens voor een coulanceregeling.
De heer Omtzigt heeft – ook mede in relatie tot de korte tijd tot 1 januari 2017 –
vragen gesteld over het door de bv elders verzekerde nabestaandenpensioen. Hij
maakt zich zorgen over de situatie waarin de pensioenaanspraak moet worden
opgezegd en er een nieuwe polis moet worden afgesloten, terwijl de partners
ondertussen wel ouder zijn geworden. Ik beantwoord deze vraag aan de hand van
een voorbeeld. Hierbij ga ik uit van een dga die thans 50 jaar is en al ruim 25 jaar
getrouwd met dezelfde partner. Deze dga heeft in 1997 met zijn bv een
pensioenovereenkomst gesloten. In de eerste pensioenbrief tussen de bv en de
dga is al opgenomen dat het ouderdomspensioen in eigen beheer bij zijn bv wordt
opgebouwd en het nabestaandenpensioen voor zijn partner wordt ondergebracht
bij een professionele verzekeraar. Op grond van deze pensioenbrief heeft de
partner voor haar nabestaandenpensioen geen aanspraak tegenover het
eigenbeheerlichaam, maar tegenover die professionele verzekeraar. Op grond van
het wetsvoorstel moet deze dga zijn pensioenbrief aanpassen. De verdere opbouw
van het ouderdomspensioen moet immers worden stopgezet. Voor het
nabestaandenpensioen is stopzetten niet nodig. Dit is namelijk niet ondergebracht
bij een eigenbeheerlichaam, maar bij een externe verzekeraar. Het enige dat
hiervoor dient te gebeuren is dat de pensioenbrief wordt aangepast, waarin moet
worden vastgelegd dat die aanspraak vanaf dat moment ongewijzigd doorloopt bij
de desbetreffende professionele verzekeraar. Voor die aanspraak blijft de
bestaande polis in dat geval behouden en verandert er derhalve niets. Voor de
noodzakelijke aanpassingen in de pensioenbrief en de beslissing daarover heeft de
dga tot en met 31 maart 2017 de tijd, gelet op de bij deze brief gevoegde nota
van wijziging.
De heer Omtzigt wijst op het rekenvoorbeeld over de partnercompensatie zoals
opgenomen in de schriftelijke antwoorden op de vragen gesteld in de eerste
termijn van het wetgevingsoverleg. Hij geeft aan dat het voorbeeld betrekking
heeft op partners die in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd terwijl
hij graag een voorbeeld wil hebben van partners die niet in algehele gemeenschap
van goederen zijn gehuwd. Hier is helaas iets fout gegaan. Het gegeven voorbeeld
ziet precies op de situatie die de heer Omtzigt bedoelt maar in het voorbeeld is het
in dit verband cruciale woordje “niet” weggevallen. Hierna is het voorbeeld
nogmaals opgenomen en is het woordje “niet” (cursief en onderstreept)
toegevoegd.
De heer Omtzigt vraagt een nadere toelichting omtrent de partnercompensatie.
Zowel de heer Van Weyenberg als de NOB vragen (onder andere) naar
voorbeelden voor de berekening van de passende compensatie die als
tegenprestatie voor de afstempeling aan de partner moet worden geboden. Ook
het RB heeft hier een vraag over gesteld. In algemene zin is van voldoende
compensatie sprake als de ene partner het bedrag van de mogelijke bevoordeling
vergoedt aan de andere partner, zodat tussen bij beide partners geen verarming
of verrijking plaatsvindt. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik
aangegeven dat het geven van voorbeelden moeilijk is omdat de feiten en
omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen van geval tot geval verschillen.
In genoemde nota heb ik een aantal van die verschillende feiten en
omstandigheden genoemd. Desondanks wil ik aan de hand van een sterk
vereenvoudigde casus proberen enige verduidelijking te verschaffen. In het
voorbeeld wordt uitgegaan van een niet in algehele gemeenschap van goederen
gehuwde dga waarbij er geen voornemens tot scheiding zijn. De in de
pensioenbrief, waarin de pensioenafspraken tussen de bv en de dga zijn
vastgesteld, geregelde pensioenopbouw heeft volledig in de huwelijkse periode
plaatsgevonden.
In dit voorbeeld gaat het om een volledig in eigen beheer opgebouwd pensioen
(ouderdomspensioen en partnerpensioen) met:
 een commerciële waarde van € 900.000
 een fiscale waarde van € 300.000
 de partner heeft een afhankelijk recht van 50% op het ouderdomspensioen en
100% van het partnerpensioen; de partner heeft – op basis van de actuariële
berekeningen – recht op 73% van de totale (commerciële) pensioenaanspraak.
Als de dga en zijn partner beslissen het opgebouwde ouderdomspensioen en het
partnerpensioen af te kopen, is alleen de waardestijging van de aandelen in de bv
als gevolg van de afstempeling van belang. Indien de dga en de partner beiden
voor de helft gerechtigd zijn in de bv, hoeft er niets gecompenseerd te worden.
Immers van beiden stijgen de aandelen met € 300.000 in waarde (de helft van
€ 900.000 – € 300.000). Bij elke andere verhouding in het aandeelhouderschap zal
de vermogensverschuiving wel gecompenseerd moeten worden. Hoe de beide
partners dat doen is geheel aan hen.
Als de dga en zijn partner beslissen het opgebouwde ouderdomspensioen en het
partnerpensioen om te zetten in een oudedagsverplichting dienen zij in lijn met
het vorenstaande ook een verdeling ten aanzien van de oudedagsverplichting af te
spreken, waardoor de partner feitelijk de 73% behoudt en de dga 27%. Deze
verdeling is vormvrij. In dat geval zal, nu geen sprake is van een verarming van
de ene partner in combinatie met een verrijking van de andere partner, geen
sprake zijn van een schenking, noch van de dga richting partner, noch
omgekeerd.”
De heer Omtzigt vraagt of ik de conclusie van de heer Kappelle deel, zoals hij die
heeft toegelicht in het WFR.7 De heer Kappelle stelt in het aangehaalde artikel dat
de waardeoverdracht van een onbepaald extern verzekerd deel van een PEB naar
een eigenbeheerlichaam ook na 1 januari 2017 nog mogelijk is. Hij geeft aan dat,
mede op grond van een brief van de toenmalige Kennisgroep Pensioenen van de
Belastingdienst uit 2004, bij een onbepaald extern verzekerd deel bij een PEB
sprake is van één eindloon- of middelloonregeling waarvoor het
eigenbeheerlichaam (de bv) volledig is aan te spreken. De verzekerde, de dga,
kan zich derhalve alleen richten tot de bv. Volgens de heer Kappelle volgt hieruit
dat bij het terughalen van een extern verzekerd onbepaald deel naar eigen beheer
geen sprake is van het overgaan van een verplichting ingevolge een
pensioenregeling en derhalve niet van een waardeoverdracht naar een
eigenbeheerlichaam die na 1 januari 2017 niet langer is toegestaan.
Ik ben het op zich met de heer Kappelle eens dat bij een extern verzekerd
onbepaald deel de dga voor zijn pensioentoezegging alleen het
eigenbeheerlichaam kan aanspreken. Echter, zijn conclusie dat (daardoor) geen
sprake zou zijn van een waardeoverdracht deel ik niet. Van een toegestane
waardeoverdracht is op grond van het ook door de heer Kappelle aangehaalde
artikel 19b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) – kort
gezegd – sprake als een pensioen overgaat van de ene toegelaten verzekeraar
naar een andere toegelaten verzekeraar. Omdat een eigenbeheerlichaam na
inwerkingtreding van de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen geen
toegelaten verzekeraar meer is, is waardeoverdracht van een extern verzekerd
pensioen naar een eigenbeheerlichaam na inwerkingtreding van het wetsvoorstel
niet langer toegestaan. Dit geldt ook voor het terughalen van een extern
verzekerd onbepaald deel. In dat geval is namelijk wel degelijk sprake van
waardeoverdracht, aangezien een verplichting ingevolge een pensioenregeling
overgaat van de ene naar de andere verzekeraar. De externe verzekeraar wordt
door de overdracht namelijk bevrijd van zijn verplichting, terwijl deze overgaat op
het eigenbeheerlichaam.
De heer Kappelle gaat in zijn artikel ook in op de mogelijke gevolgen van het
wetsvoorstel voor een extern verzekerd onbepaald deel indien zijn conclusie, dat
waardeoverdracht ook na 1 januari 2017 zou zijn toegestaan, niet wordt gevolgd.
Over de handelingen die op grond van het wetsvoorstel nodig zijn ingeval sprake
is van een extern verzekerd onbepaald deel, merk ik het volgende op. Als een deel
van de aanspraak is ondergebracht bij een professionele verzekeraar is in de
pensioenbrief aangegeven dat een deel extern is verzekerd bij een bij name
genoemde verzekeraar. In zo’n situatie zal op grond van het wetsvoorstel de
pensioenbrief aangepast moeten worden. De verdere opbouw van het deel dat bij
het eigenbeheerlichaam is verzekerd zal moeten worden stopgezet. Met
betrekking tot het extern verzekerde deel is dit niet verplicht. Indien de verdere
opbouw van het extern verzekerde deel niet wordt stopgezet (niet premievrij
wordt gemaakt), zal – bij een onbepaald herverzekerd deel – wel moeten worden
geregeld dat dit een zogenoemd bepaald herverzekerd deel wordt. De
pensioenbrief zal op dit punt moeten worden aangepast. In de pensioenbrief zal
expliciet moeten worden opgenomen welk deel van het ouderdomspensioen bij
een met name genoemde verzekeraar is ondergebracht. Ook voor deze
handelingen heeft de dga op grond van de bij deze brief gevoegde nota van
wijziging tot en met 31 maart 2017 de tijd.
De heer Omtzigt vraagt hoe het bedrag van € 950 miljoen minder aftrekbeperking
in de vpb te rijmen is met de budgettaire opbrengst van € 62 miljoen. In de
memorie van toelichting is toegelicht waarop de budgettaire opbrengst is
gebaseerd. De € 950 miljoen aftrekbeperking in de vennootschapsbelasting leidt
per 2018 tot € 0,2 miljard hogere vpb-ontvangsten (zie regel 2 van tabel 1 van
genoemde memorie). Daarnaast zorgt op korte termijn de afkoopmogelijkheid tot
fors hogere ontvangsten in de loon- en inkomstenbelasting. Daartegenover staat
dat de toekomstige uitkering van het PEB vervalt. Dat leidt op de langere termijn
tot een derving van ontvangsten in de loon- en inkomstenbelasting (zie regel 1
van genoemde tabel). Ten slotte leidt het wetsvoorstel tot ontvangsten uit box 2
van de inkomstenbelasting respectievelijk de dividendbelasting (zie regel 3 van de
tabel). Door de mogelijkheid om af te stempelen en de afgestempelde
pensioenaanspraak af te kunnen kopen of om te zetten in een
oudedagsverplichting wordt de dividendklem (grotendeels) weggenomen. Dat
geeft meer ruimte voor dividenduitkeringen en zal daarmee tot hogere
belastingontvangsten leiden. Als de plussen en minnen over de tijd worden
opgeteld, resulteert dat in contante waarde tot een opbrengst van € 62 miljoen
structureel. Dit is tevens het bedrag dat is gebruikt om het inkomstenkader te
sluiten. De heer Omtzigt vraagt verder of de budgettaire opbrengst van het PEB is
ingezet voor de dekking van de schijfverlenging van de eerste schijf in de
vennootschapsbelasting. Vorig jaar is in het inkomstenkader een taakstelling
opgenomen voor de derving als gevolg van de Wet aanpassing fiscale eenheid
(BEPS-taakstelling). Deze taakstelling is in het inkomstenkader ingevuld door
middel van de opbrengsten uit de invoering van de vpb-plicht voor zeehavens en
de in het Belastingplan opgenomen wijzigingen in de innovatiebox en de wijziging
in de renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage. De overdekking is ingezet
voor de schijfverlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting.
De heer Omtzigt heeft gevraagd of er memo’s hebben gecirculeerd over de risico’s
van de afkoopregeling. Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel is uitgebreid
aandacht geweest voor de veronderstellingen die ten behoeve van de ramingen
dienden te worden gemaakt over het verwachte gebruik van de mogelijkheid tot
afkoop, de gemiddelde pensioenopbouw, de mate waarin sprake is van
onderdekking en verschillen in gedrag door dga’s die reeds in de
pensioenuitkeringsfase zitten versus die in de opbouwfase verkeren.
De heer Van Weyenberg vraagt of er grote bezwaren, zoals budgettaire gevolgen,
zijn bij het afschaffen van het doorwerkvereiste bij prepensioenregelingen. Zoals
aangegeven in de brief van 3 november jl. is de toegevoegde waarde van het
afschaffen van het doorwerkvereiste voor prepensioenregelingen minder sterk
aanwezig dan voor het ouderdomspensioen.8 Er is inmiddels nader overleg
gevoerd met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de
budgettaire consequenties voor de uitgavenkant. Uitkeringen ingevolge de sociale
zekerheid kunnen (afhankelijk van de regeling) namelijk worden gekort indien een
uitkering ingevolge een prepensioenregeling wordt genoten. Dit kan een prikkel
vormen voor deelnemers om de ingangsdatum van de prepensioenregeling uit te
stellen en daarmee (meer) gebruik te maken van de sociale zekerheid. Ik heb
begrepen dat het in kaart brengen van de budgettaire consequenties hiervan
helaas meer tijd vergt. Voor diverse regelingen is bekend dat het pensioen wordt
verrekend met de uitkering. Daarbij gaat het onder andere over de partnertoeslag
AOW, de ANW, de WW en de IOW. Daarbij is het ook de verwachting dat een deel
geen uitkering aanvraagt vanwege het prepensioen. Het is op deze korte termijn
niet mogelijk om goed in kaart te brengen in welke mate er momenteel verrekend
wordt met prepensioen en hoe de ontwikkeling van steeds minder
prepensioenregelingen hierop doorwerkt. Daarom is het nu niet mogelijk de
budgettaire effecten reeds te presenteren. Echter, op basis van signalen over
verrekeningen kan niet op voorhand gesteld worden dat dit effect beperkt is. Ik
zal samen met de bewindspersonen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
budgettaire effecten nader onderzoeken en u hierover informeren. Vanwege de te
derven AOW-premies zijn er bovendien budgettaire gevolgen aan de
inkomstenkant. De omvang hiervan is afhankelijk van de mate waarin het
prepensioen zal worden uitgesteld. Ik zal u gelijktijdig met de budgettaire
consequenties aan de uitgavenkant hierover nader informeren.
De heer Omtzigt stelt dat verzekeraars weinig willen doen aan het
doorwerkvereiste en vraagt of hier nog iets aan te doen is. Ik herken het signaal
van de heer Omtzigt niet. Het doorwerkvereiste wordt niet vanuit de verzekeraar
opgelegd, maar volgt uit de Wet LB 1964. Met het afschaffen van het
doorwerkvereiste voor ouderdomspensioen verminderen de administratieve lasten
voor pensioenuitvoerders. De pensioenuitvoerders hoeven dan namelijk niet meer
jaarlijks te toetsen of en in hoeverre deelnemers, die hun pensioeningangsdatum
van het ouderdomspensioen willen uitstellen, nog doorwerken.

dga-pensioen-in-eigen-beheer-2017

Laat uw reactie achter