Het belang van een goede eindleeftijd bij een AOV
Er zijn bij het aangaan van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) veel factoren die van invloed zijn op de premie.
De eindleeftijd is niet alleen een sterke premiebepalende factor, maar is ook een erg belangrijk onderdeel van de verzekeringsdekking. De eindleeftijd kan in principe vrij worden gekozen, de meest gangbare eindleeftijden zijn: 55, 60, 62 en 65 jaar (tussenliggende leeftijden zijn vaak ook mogelijk).
Voor enkele beroepen hebben verzekeraars, gezien het verhoogde risico op arbeidsongeschiktheid en de mogelijkheden bij revalidering, bepaald dat er een maximale eindleeftijd van kracht is. Dit is van kracht bij beroepen waarin zware lichamelijke arbeid wordt verricht.
Het beste uitgangspunt is om de eindleeftijd aan te laten sluiten bij de ingang van de pensioenrechten, dat is dus vaak 65 jaar. Veel ondernemers gaan er bij de start van de onderneming van uit dat zij enkele jaren eerder stoppen. Het bedrijf fungeert hierbij vaak als “onderpand“. Dat enkele jaren later, of in het ergste geval enkele jaren voor de geplande pensioendatum, sprake kan zijn van wijzigingen in wetgeving, economische omstandigheden en/of de persoonlijke situatie kan bij voorbaat niet ingeschat worden.
Voor uitbreiden van de verzekeringsdekking op een lopende arbeidsongeschiktheidsverzekering, waaronder het verzekeren van een hogere eindleeftijd, zijn medische waarborgen vereist. Op hogere leeftijd of na een eventuele arbeidsongeschiktheid is het niet altijd meer mogelijk om de eindleeftijd te verhogen naar bv. 65 jaar (of alleen met een premieopslag en/of beperkende bepaling).
Het is daarom aan te bevelen om de verzekering te starten op een hoge eindleeftijd. Naarmate er meer duidelijkheid is over opgebouwd kapitaal, pensioenrechten en mogelijkheden om eerder te stoppen met werken, kan de verzekeringsdekking worden gewijzigd naar een lagere eindleeftijd.
Lees meer… »
Stuitingsbrief beleggingsverzekeringen
Nederlanders die in het verleden een beleggingsverzekering hebben afgesloten en recht willen hebben en houden op een mogelijke compensatie dreigen hun bezwaarrecht te verliezen als ze niet (opnieuw) een klacht deponeren bij hun verzekeraar. Een zogenaamde stuitingsbrief. Doen consumenten dat niet, dan verjaart hun vordering en vervalt daarmee mogelijk het recht op enige vorm van schadevergoeding. Dat bevestigt de Vereniging Eigen Huis dinsdag na berichtgeving in De Telegraaf. Volgens de verenging hebben ongeveer 2,5 miljoen mensen in Nederland een dergelijke verzekering afgesloten. Slechts een paar duizend van hen, heeft reeds opnieuw een zogeheten stuitingsbrief gestuurd, stelt Stichting Verliespolis.
De Stichting Verliespolis heeft met de verzekeraars
- Delta Lloyd,
- Nationale-Nederlanden,
- ASR Nederland,
- SNS Reaal,
- AEGON,
- Achmea,
- ABN AMRO Levensverzekering,
- Loyalis en
- Cordares
collectieve compensatieregelingen. De regelingen hebben uitsluitend betrekking op de kosten van de betreffende beleggingsverzekering. Indien die hoger uitvallen dan is afgesproken in de akkoorden, dan ontvangt de polishouder compensatie voor de teveel betaalde kosten. Om compensatie te ontvangen hoeft de polishouder zelf niets te doen. Alleen als de polis al is afgelopen moet die beleggingsverzekering worden aangemeld bij de betreffende verzekeraar.
Individuele klachten over mogelijke zorgplichtschendingen of verkeerde advisering door de tussenpersoon of verzekeraar zijn buiten de akkoorden gebleven. Vooralsnog zijn slechts met twee kleinere verzekeraars compensatieregelingen overeengekomen.
Lees meer… »
Een kleine kans
Lijfrenteaftrek 2011 tot uiterlijk 31 december 2011
Vanaf het belastingjaar 2011 mogen er bij de belastingaangifte alleen nog lijfrentepremies worden afgetrokken die in hetzelfde jaar zijn betaald. De lijfrentepremies voor 2011 moeten dan ook uiterlijk 31 december 2011 worden betaald. Dit betekent dat premies die worden betaald in het eerste kwartaal van 2012 niet meer aftrekbaar zijn in de aangifte 2011. Dat mag dan alleen nog in de aangifte 2012. Hetzelfde geldt voor stortingen op een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht.
Dit kan betekenen dat uw verzekering aangepast moet worden om te voorkomen dat een jaartje lijfrenteaftrek wordt overgeslagen. Neem hierover tijdig contact met ons op zodat de verzekeraar of bank een wijziging nog tijdig kan verwerken. Nadenken over een extra storting moet nu niet gebeuren als de lente in de lucht hangt maar uiterlijk in december onder de kerstboom.
Deze regels gingen in vanaf belastingjaar 2011. Voor belastingjaar 2010 gelden de oude voorwaarden.
Legal & General risicoverzekeringen
Legal & General heeft de overlijdensrisicopremies verlaagd en tegelijkertijd de inkomens- en vermogensgrenzen voor de Lifestyle-verzekering laten vervallen.
In 2000 introduceerde Legal de Lifestyle-verzekering voor mensen met een jaarinkomen vanaf € 50.000 of een eigen vermogen van meer dan € 250.000. In mei van dit jaar werd het ‘elitetarief’ al met gemiddeld ruim 20% verlaagd vanwege nieuwe acceptatieprocedures. Tevens werd toen de keuringsgrens verhoogd van € 250.000 naar € 750.000. In het verleden meent Legal & General geconstateerd te hebben dat consumenten met hogere inkomens en/of vermogens een lager risico hadden om voor hun 65e te overlijden dan mensen met lagere inkomens/vermogens. Daarom werd destijds voor deze groep een tarief aangeboden dat correspondeert met het werkelijke lagere risico op overlijden zoals voor die groep geldt. Dit lagere tarief stelt Legal & General nu nog iets scherper. Door nu te werken met één risicogroep kan Legal & General de kosten fors verlagen.
Door deze schaalvergroting kan Legal & General consumenten met lagere inkomens/vermogens dezelfde tarieven aanbieden die tot nu toe waren voorbehouden aan de hogere inkomens/vermogens. En Doorneweerd Assurantien kan deze verzekeringen ook nog eens aanbieden zonder provisie. Daar komt uiteraard wel een aparte vergoeding bij kijken. Neem eens contact op om te kijken of wij iets moois voor u kunnen betekenen.
Zonnebrand
Het vitaliteitspakket
Het kabinet stelt een vitaliteitspakket voor dat bestaat uit vitaliteitssparen, een werkbonus en een verlaging van de drempel voor de aftrek van scholingsuitgaven.
Gevolg is wel dat levensloop, spaarloon, de arbeidskorting voor ouderen en de doorwerkbonus verdwijnen.
Vitaliteitssparen
- Het kabinet wil dat elke burger, jonger dan 65 jaar, vanaf 1 januari 2013, gebruik kan maken van vitaliteitssparen. De burger kan dan kiezen voor storten op een daarvoor bestemde rekening bij een bank, een verzekering afsluiten bij een verzekeraar of een beleggingsrecht bij een beleggingsinstelling. Als hij voor een van deze mogelijkheden kiest kan de betaling voor de regeling in aftrek gebracht worden in box 1 van de inkomstenbelasting. Net als de aftrek voor lijfrentepremie. De regeling staat daarmee open voor zowel werknemers als zelfstandigen, met of zonder personeel.
- De vitaliteitsregeling is bedoeld om deze groep een financiële buffer te geven. Bijvoorbeeld bij wisseling van baan of bij een gebrek aan opdrachten. Maar ook voor perioden van ouderschapsverlof of als inkomensaanvulling op (wettelijke) uitkeringen. Als voorbeelden worden deeltijdpensioen en het gebruik als aanvulling van het inkomen bij eerder stoppen met werken genoemd.
- De inleg is fiscaal aftrekbaar tot een jaarlijks bedrag van maximaal € 5.000, totdat een saldo is bereikt van € 20.000. Het saldo – inclusief rendement – wordt niet in box 3 belast, ook niet als het saldo meer bedraagt dan € 20.000. De besteding van het saldo is geheel vrij. Er geldt dus geen blokkering. Wel kent de regeling een beperking van het opneembare bedrag voor personen, die op 1 januari van het kalenderjaar 62 jaar of ouder zijn. Zij mogen per jaar maximaal € 10.000 opnemen. Het tegoed moet zijn opgenomen vóór het bereiken van de 65- jarige leeftijd.
- Neemt een oudere deelnemer meer dan € 10.000 per jaar op of bereikt de deelnemer de leeftijd van 65 jaar? Dan is het hele tegoed ineens belast in box 1. De regeling kent in deze situaties of bij tussentijdse gehele of gedeeltelijke opname -op welk moment dan ook- geen sancties. Opname is vrij maar wordt wel (weer) belast in box 1.
- Bij uitkering van (een deel van) het saldo houdt de uitvoerder standaard 42% loonheffing in en draagt die belasting vervolgens af aan de Belastingdienst. Bovendien renseigneert de uitvoerder jaarlijks het saldo en de inleg aan de Belastingdienst.
Lees meer… »
Bancair overlijden
De bancaire nabestaandenlijfrente is een lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de rekeninghouder of zijn (gewezen) partner.
Bij de bancaire nabestaandenlijfrente wordt onderscheid gemaakt tussen het overlijden van de rekeninghouder en het overlijden van de (gewezen) partner. Ook is van belang of het overlijden tijdens de opbouwfase of tijdens de uitkeringsfase heeft plaatsgevonden.
Het overlijden van de partner tijdens de opbouwfase
Het door het overlijden van de partner vrijgekomen kapitaal kan door de rekeninghouder worden aangewend voor een nabestaandenlijfrente. De rekeninghouder is hiertoe niet verplicht. Kiest de rekeninghouder voor een nabestaandenlijfrente, dan moet deze lijfrente binnen zes maanden na het overlijden van de (gewezen) partner ingaan. De termijnen van deze nabestaandenlijfrente moeten toekomen aan de rekeninghouder en de periode tussen de eerste en de laatste termijn moet ten minste vijf jaar zijn.
Het overlijden van de rekeninghouder tijdens de opbouwfase
Het door het overlijden van de rekeninghouder gedeblokkeerde tegoed moet door de erfgenaam aangewend worden voor een nabestaandenlijfrente. De nabestaandenlijfrente moet binnen een periode van het jaar van overlijden plus de daaropvolgende twee kalenderjaren ingaan (wettelijke beslistermijn). Van belang is wie de erfgenaam is om te kunnen bepalen welke nabestaandenlijfrente kan worden aangekocht.
Lees meer… »
Het mag weer: lekker doorwerken
Op 4 juli 2011 schreven wij over mogelijke fiscale complicaties bij het vervroegen van de pensioendatum terwijl er nog wel doorgewerkt wordt. De staatssecretaris heeft onlangs zijn standpunt over vervroegd deeltijdpensioen herzien.
De staatssecretaris heeft een besluit uitgebracht met een nieuwe beleidslijn voor de situatie waarin een werknemer zijn pensioen vervroegd laat ingaan, maar niet eerder dan op de leeftijd van 60 jaar, en blijft doorwerken. Voorheen stelde de staatssecretaris zich op het standpunt dat bij een gedeeltelijke vervroegde pensionering de mate van vermindering van het inkomen uit economische activiteiten overeen moest komen met het gedeelte waarvoor het pensioen vervroegd inging. De staatssecretaris heeft zijn standpunt met ingang van 7 september 2011 deels herzien. Bij een vervroeging tot de 60-jarige of latere leeftijd zal voortaan niet worden getoetst of de economische activiteiten dienovereenkomstig worden verminderd. Bij een vervroegde ingangsdatum van de pensioenuitkeringen vóór het bereiken van de 60-jarige leeftijd blijft toetsing plaatsvinden aan de voorwaarde dat het pensioen slechts kan worden vervroegd voor zover de werknemer dienovereenkomstig in arbeidsinkomsten achteruitgaat.
Met deze herziening wordt het dus een stuk flexibeler om bij vervroegde pensionering gewoon door te blijven werken, al dan niet in deeltijd.
Een streep onder DGA-pensioen
Doorbreking ontslagverbod tijdens ziekte!
Normaliter kan een werknemer tijdens ziekte niet worden ontslagen en moet de werkgever maximaal 2 jaar het loon doorbetalen, al dan niet verhaalbaar op een ziekengeldverzekering. Toch zijn er gevallen waarin de zieke werknemer ondanks het opzegverbod kan worden ontslagen.
Zo heeft de kantonrechter op 12 juli 2011 uitspraak gedaan in een arbeidszaak waarin de werkgever een verzoek deed om een zieke werknemer te mogen ontslaan, waarbij de rechter nog eens goed het criterium verwoordde dat geldt voor het inwilligen van een dergelijk verzoek.
Rechtbank Leeuwarden inzake ontbinding van een arbeidsovereenkomst tijdens ziekte was de kernoverweging dat het enkele feit dat de werknemer ziek is, niet hoeft te betekenen dat het verzoek om ontbinding altijd moet worden afgewezen. De rechter wees het verzoek in deze zaak juist wel toe, waarbij een rol speelde dat betrokkene geen ander inhoudelijk verweer heeft gevoerd dan dat er een opzegverbod is tijdens ziekte.
In deze zaak spelen 2 elementen een rol.
- Ten eerste de misvatting dat er een absoluut opzegverbod is bij ziekte en
- ten tweede dat rechten worden prijsgegeven indien geen inhoudelijk verweer wordt gevoerd. Wat dat laatste betreft is de werknemer door gebrek aan kennis en vaak door gebrek aan middelen dan wel goede juridische bijstand, meestal de zwakkere partij.
Lees meer… »
Uitval werknemer door psychische klachten en nu?
In het verleden was het zo dat een werknemer met psychische klachten standaard het advies kreeg om eerst vooral uit te rusten en pas als hij of zij weer enigszins de oude was te beginnen met werkhervatting. Het psychische verzuim duurde hierdoor soms wel 6 maanden of een jaar. Tegenwoordig is de opvatting dat iemand zo snel mogelijk weer het werk moet hervatten.
Betrokkenheid houden bij het werk
Ten eerste wordt de drempel naar werkhervatting daardoor niet onnodig hoog. Als iemand maanden afwezig is geweest spelen mogelijk gevoelens van schaamte of schuld een rol. Of er is een bepaalde gewenning ontstaan bij de werknemer om de tijd zelf in te kunnen delen. Daarom zal de bedrijfsarts snel het advies geven om op het bedrijf langs te gaan, al is het maar om een kop koffie te drinken.
Op de tweede plaats is een werknemer die verder van het werk af komt te staan moeilijker te betrekken bij de re-integratie. De werknemer gaat naar de huisarts. De huisarts stelt de diagnose dat er eerst maar eens een rustperiode van 6 weken moet zijn. Er wordt verwezen naar een therapeut in het reguliere circuit die niet gericht is op het werk en re-integratie.
Lees meer… »

